Skip to main content

Scheiden doet leiden

Bob Heeren | advocaat
06 oktober 2023
De Zangeres Zonder Naam zong het. “Denk toch heel goed na, voor je scheiden gaat.” Er waren volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2022 maar liefst 23.603 echtscheidingen.

Daarbij rekende het CBS het eindigen van geregistreerd partnerschappen en andere relatievormen niet eens mee.

Scheiden en lijden zijn aan elkaar verwant. En pijn kan tot bewustzijnsvernauwing leiden. Ik ken succesvolle zakelijke cliënten die, terwijl ik ze bij hun echtscheiding begeleidde het emotionele spoor even volledig waren kwijtgeraakt. Waardoor ze ook niet meer zakelijk konden denken.

Het is daarom belangrijk om gevoelens serieus te nemen en ze te laten bestaan, zodat ze de ruimte krijgen en de rede vanzelf terugkeert.

Er is een manier van scheiden waarin gevoelens mogen worden gezien en de rede vooropstaat.

De overlegscheiding.

Dat is scheiden met behulp van een team, waarin met daarin voor elke partij een eigen advocaat. Daarnaast maken een onafhankelijk financieel expert en een psycholoog deel uit van dat team. De psycholoog heeft als belangrijke taak om de partijen emotioneel en mentaal te begeleiden en hen te leren hoe ze na de scheiding het beste met elkaar om kunnen gaan, vooral ook als ouders van de kinderen.  

Voor advocaten is een overlegscheiding anders dan anders. Ze moeten namelijk de belangen van de eigen cliënt behartigen én ook de belangen van de tegenpartij kunnen blijven zien. Advocaten maken vaak ruzie met elkaar en dat is in een overlegscheiding juist helemaal niet de bedoeling.

Kan dat dus eigenlijk wel, scheiden in overleg? En hoe gaat dat dan in zijn werk? 

Ik sprak over de overlegscheiding met twee advocaten, Sandra Verburgt (Delissen Martens Advocaten) en Ciska Elsinga (RWV Advocaten), psycholoog Carla Goosen en financieel expert Wim Houtekamer, in de nieuwste aflevering van Recht Praten Met Advocaten. De podcast van RWV Advocaten, in taal die je kunt verstaan.

Te vinden op Spotify, Apple of deze website.

# Hits: 525